HomeBiologiePractica ► Kieuwen van een vis

 

Kieuwen van een vis


Inleiding

Kieuwen stellen vissen in staat om zuurstof uit het water te halen en koolstofdioxide aan het water af te geven (= gaswisseling). In dit practicum ga je de kieuwen bekijken en tekenen om op deze manier inzicht te krijgen hoe gaswisseling bij vissen in zijn werk gaat.

kieuwen van een vis

Materiaal

  • Een vissenkop

  • Een schoteltje

  • Tekenmateriaal

  • Prepareermateriaal: schaar, pincet, prepareernaald en scalpel

  • Een petrischaal met water

  • Een stereomicroscoop of een loep

 

Methode

  • Leg de vissenkop zo op op het schoteltje dat je de zijkant goed kunt zien. Maak een biologische tekening van de kop in zijaanzicht. Geef de volgende delen aan: bek - lip - neusgat - kieuwdeksel - vin.

  • Licht met een pincet het kieuwdeksel op. Je ziet de kieuwen liggen. Knip voorzichtig het kieuwdeksel weg. Maak een biologische tekening van de ligging van de kieuwen in de kieuwholte.

  • Leg de vissenkop ondersteboven en knip de mondbodem voorzichtig open. Je ziet links en rechts de kieuwen aan de kieuwbogen vastzitten. Knip voorzichtig één kieuw los en leg deze in het water in de petrischaal. Bekijk de kieuw met de stereomicroscoop (of loep). Maak een biologische tekening van de losse kieuw. Geef de volgende delen aan: kieuwboog - kieuwplaatje - kieuwlamel.

 

Reflectievragen

  1. Leg met behulp van de wet van Fick uit op welke drie manieren de diffusiesnelheid van zuurstof in de kieuwen gunstig wordt beïnvloed.

  2. Haaien hebben geen kieuwdeksels. Leg uit waarom een haai nooit stil hangt in het water.

  3. Leg uit of de bek van de haai meestal open of dicht is.

  4. Lucht bevat een groter percentage zuurstof dan water. Hoe komt het dat een snoek toch niet op het droge kan leven?

 

Vissen maken in hun kieuwen gebruik van het tegenstroomprincipe. Het effect van het tegenstroomprincipe kun je nagaan door twee modellen met elkaar te vergelijken. In model 1 stroomt het bloed in het bloedvat dezelfde richting als het water. In model 2 in tegengestelde richting. Het zuurstofgehalte is op enkele plaatsen in percentages weergegeven.

 

zuurstofrijk water →

12

11

10

         

zuurstofarm water →

 

zuurstofarm bloed →

4

5

6

         

zuurstofrijk bloed →

 Model 1 Meestroomprincipe

 

zuurstofrijk water →

12

11

10

         

zuurstofarm water →

 

← zuurstofrijk bloed

         

6

5

4

← zuurstofarm bloed

 Model 2 Tegenstroomprincipe

  1. Vul op de opengebleven plaatsen het zuurstofgehalte in van het water en van het bloed.

  2. Geef met pijltjes aan waar nettodiffusie van zuurstof plaatsvindt.

  3. Vergelijk beide modellen en trek daaruit een conclusie.

 

 

Links