Instaptoets heelal


Opdracht

Hieronder vind je een aantal beweringen. Sommige beweringen zijn waar, andere zijn niet waar. Lees de beweringen en geef aan of volgens jou de bewering juist of onjuist is. Vorm vervolgens groepjes van circa drie leerlingen. Vergelijk je antwoorden en kijk of je tot overeenstemming komen kunt.

De beweringen

  1. Er zijn heel veel sterren en wel minimaal 40 maal zoveel als er bewoners op de aarde zijn.

  2. De zon is één van al die sterren.

  3. Als je een aantal avonden achter elkaar op hetzelfde tijdstip naar de sterrenhemel kijkt, zal je opvallen dat de sterren altijd op dezelfde plaats aan de hemel staan.

  4. Doordat de aarde in de winter verder van de zon af staat, is de gemiddelde temperatuur in de winter lager dan in de zomer.

  5. Het bestaan van seizoenen wordt veroorzaakt door de schuine stand van de aarde ten opzichte van het baanvlak waarin de aarde om de zon draait.

  6. Een lichtjaar is de afstand die het licht in een jaar aflegt.

  7. Als de zon nu uit zou gaan, zou het op de aarde over een uur donker worden.

  8. De meest nabije ster (met uitzondering van de zon) staat 4,3 lichtjaar van ons vandaan. We zien deze ster dus zoals hij er 4,3 jaar geleden uitzag.

  9. Planeten reflecteren het licht van de zon, maar zenden zelf ook licht uit.

  10. Er draaien tien planeten om de zon. Eén daarvan is de aarde.

  11. Uit de maximale hoogte van de zon kan van een plaats op aarde eenvoudig berekend worden op welke breedtegraad deze plaats ligt. Om de lengtegraad van die plaats te berekenen is het noodzakelijk om over een klok te beschikken.

  12. Alle planeten draaien met dezelfde snelheid om de zon.

  13. Een maan is een satelliet. De aarde heeft één natuurlijke satelliet.

  14. Soms kun je vallende sterren zien. Dat zijn meteoren: stofdeeltjes die verbranden in de dampkring van de aarde.

  15. Wij zien altijd dezelfde kant van de maan. Dat komt doordat de maan niet zelf om zijn as draait.

  16. Bij een zonsverduistering staat de maan precies tussen de zon en de aarde.

  17. De poolster staat altijd in het noorden. Dat komt doordat de poolster precies in het verlengde van de (denkbeeldige) aardas staat.

  18. Alle sterren (en dus ook de zon) komen in het oosten op. Dat is het gevolg van de draaiing van de aarde.

  19. Als je op een bepaalde plaats op aarde een jaar lang de sterrenhemel bestudeert, zul je in de loop van dat jaar alle sterrenbeelden te zien krijgen.

  20. Bij volle maan staat de aarde tussen de zon en de maan. Maar doordat de baan van de maan een hoek maakt met de baan van de aarde kunnen we de maan toch zien.

Antwoorden

 

Links