HomeBiologieLesmateriaal ► Ouderdomsbepaling met koolstof-14 methode

 

Ouderdomsbepaling met koolstof-14 methode

De koolstof-14 methode wordt toegepast om de ouderdom van resten van plantaardig of dierlijk materiaal vast te stellen. De methode is betrouwbaar maar de nauwkeurigheid kan nog al eens verschillen. Deze dateringsmethode kan dus alleen worden toegepast op materiaal van biologische herkomst.

 

koolstof-14 methode

Voorkennis / aannames

  • neutron + 14N → 14C + proton;

  • 12C: normaal / stabiel koolstofatoom ↔ 14C: instabiel koolstofisotoop ( met 6 protonen en 8 neutronen);

  • Hoeveelheid 14C is erg klein t.o.v. de hoeveelheid 12C. Door constante aanmaak (in hogere luchtlagen) blijft de hoeveeldheid 14C in de atmosfeer constant;

  • De verhouding 14C : 12C verandert met tijd: 14C → 14N;

  • Halveringstijd 14C (als helft van 14C is vervallen tot 14N) is 5.730 jaar;

  • Opname van 12C en 14C door planten (CO2), verder in voedselketen via consumenten;

  • Als organisme dood gaat, stopt opname C-atomen;

  • Hoe minder 14C t.o.v. het 12C, hoe ouder het materiaal is.

 

T (= halveringstijd)

N0 kernen

Tijd (jaren)

  halveringstijd

1T

N0/2

  5.730

2T

N0/4

11.460

3T

N0/8

17.190

4T

N0/16

22.920

 

Een stuk hout met N0/8 kernen over is (bij benadering) 17.190 jaar oud.

 

Meer informatie over koolstof-14 methode.

Opdracht

Bij onderzoek met koolstofisotopen blijkt de verhouding 14C : 12C in levende salamanders viermaal zo hoog te zijn als in fossiel Q.

  1. Hoe oud is fossiel Q?

 

Een paleontoloog vindt een gidsfossiel van een salamandersoort, waarvan bekend is dat deze ongeveer 17.000 jaar geleden geleefd heeft. Om dit te controleren voert hij een datering uit met de koolstofisotoop 14C. Hij vindt een bepaalde verhouding tussen 14C en 12C. Hij vergelijkt deze met die in levende organismen van verwante soorten.

  1. Welk resultaat verwacht hij te vinden? In het fossiel zal deze verhouding ongeveer … keer zo klein zijn als in de levende organismen. Rond af naar een geheel getal.

 

Omdat de halfwaardetijd van 14C relatief kort is, kunnen op deze manier slechts fossielen die maximaal 60.000 jaar oud zijn, betrouwbaar worden vastgesteld. Een paleontoloog maakt dan ook gebruik van 235U. In een bepaald fossiel treft een onderzoeker 6,25% van de oorspronkelijke hoeveelheid235U aan.

  1. Hoe oud is dit fossiel?

 

Antwoorden