Regulatie van de ademhaling

ademhaling

  1. Zie schema hierboven.

  2. De effectoren voor de regeling van de ademfrequentie zijn de ademhalingsspieren (tussenribspieren en middenrifspieren).

  3. Door het gebruik van een gasmengsel van 5% CO2 (in plaats van de 0,03% CO2 in de lucht) stijgt de CO2-concentratie in het bloed. Dit heeft een stimulerende werking op het ademcentrum. Een hogere CO2-concentratie veroorzaakt ook een daling van de pH van het bloed. Een lage pH heeft een stimulerende werking op het ademcentrum.

  4. Bij anaërobe dissimilatie van glucose in spieren ontstaat geen CO2 maar wel melkzuur. Als melkzuur aan het bloed wordt afgegeven, daalt de pH van het bloed. Dat leidt tot een verhoging van de ademfrequentie.

  5. We spreken van een indirecte beïnvloeding van de ademfrequentie door de pO2 van het bloed, omdat de chemoreceptoren niet de pO2, maar de pCO2 van het bloed waarnemen. De chemoreceptoren worden bij een lage pO2 gevoeliger voor de pCO2 van het bloed.

  6. Adrenaline komt vrij wanneer je woedend of angstig bent of wanneer je ergens enorm van schrikt. Adrenaline stimuleert de dissimilatie. De ademfrequentie neemt dan toe.

  7. Het orthosympatisch deel van het autonome zenuwstelsel zorgt voor de verhoging van de ademfrequentie en verwijding van de vertakkingen van de bronchiën.

  8. De inspiratoire reflex vindt plaats na een diepe uitademing.

  9. De schakelcellen van deze reflex(boog) bevinden zich in het ruggenmerg.


Opdracht