Opdracht bouw en functies van nieren en lever

 

De nieren

  1. De werking van de nieren wordt geregeld vanuit de hypothalamus en de hypofyse.

  2. De functies van de nieren zijn: 1) Uitscheiden van afvalstoffen, lichaamsvreemde en overtollige stoffen uit het bloed d.m.v. urine en 2) handhaven van homeostase: constant houden van de pH, bloeddruk en osmostische waarde (o.i.v. het hormoon ADH).

  3. Een andere naam voor niereenheid is nefron.

  4. Een niereenheid is opgebouwd uit: het kapsel van Bowman, een nierkanaaltje met lis/lus van Henle en een verzamelbuis(je).

  5. Voorurine bevat onder andere: water, zouten, aminozuren, glucose en ureum.

  6. 99% van het water wordt door osmose (passief transport) in het nierkanaalte teruggeresorbeerd. Glucose, aminozuren en de meeste zouten worden door actief transport teruggeresorbeerd. De ± 170 liter voorurine vormt uiteindelijk zo'n 1,5 liter urine.

  7. Zie presentatie.

  8. Het antidiuretisch hormoon (ADH) wordt door de hypofyse afgegeven als de hypothalamus registreert dat de osmotische waarde in het bloed te hoog is. Het hormoon ADH zorgt ervoor dat er meer water naar het bloed teruggaat: de osmotische waarde daalt.

  9. De clearance is de factor waarmee de concentratie van een bepaalde stof in de urine toegenomen is ten opzichte van de voorurine. Als deze factor kleiner is dan ureum weet je dat de bepaalde stof (actief) in het nierkanaaltje teruggeresorbeerd is.

 

Meer PowerPoint presentaties

De lever

  1. Van al je bloed zit ± 13% in de lever; dit geeft de lever een bruinrode kleur.

  2. De lever is het enige orgaan dat verbonden is met drie bloedvaten: 1) de poortader, 2) de leverslagader en 3) de leverader.

  3. De door de lever geproduceerde gal wordt (tijdelijk) opgeslagen in de galblaas. HIeruit wordt gal met de galbuis naar de twaalfvingerige darm gebracht.

  4. De lever breekt onder andere eiwitten af. Hierbij komt de afvalstof ureum vrij. De nieren scheiden ureum uit. De leverader bevat dan ook de hoogste concentratie ureum.

  5. Zuurstof, aminozuren, glucose en vetdeeltjes gaan van een haarvat naar een levercel.

  6. Koolstofdioxide, ureum, aminozuren, eiwitten, glucose en vetten gaan van een haarvat naar de levercel.

  7. Onder invloed van het hormoon insuline zet de lever glucose om in glycogeen (bij een te hoge bloedsuikerspiegel) en slaat deze op. Bij een te laag bloedsuikerspiegel wordt onder invloed van het hormoon glucagon glycogeenvoorraden afgebroken tot glucose (en afgeven aan het bloed. Zie ook: Homeostase.

  8. Door de galzure zouten in gal kunnen vetten worden geëmulgeerd: van grote vetdruppels worden kleine vetdruppels gemaakt. Hierdoor kan lipase beter zijn werk doen. Via gal worden ook overtollig cholesterol en andere afvalstoffen uitgescheiden.

  9. De lever kan 9 (niet-essentiële) van de 20 aminozuren uit overtollige aminozuren maken. Dit proces heet transaminatie.

Opdracht

 

Links