Interspecifieke en intraspecifieke relaties

 

1 = E (interspecifiek)

2 = I (symbiose)

3 = G (mutualisme)

4 = A (commensalisme)

5 = H (parasitisme)

6 = D (epifytisme)

7 = F (intraspecifiek)

8 = B (concurrentie) of C (coöperatie)

9 = B (concurrentie) of C (coöperatie)


Opdracht