Toets | Evolutie en DNA

  1. Klein en slim zijn kan in veel omstandigheden een grotere overlevingskans hebben dan groot en sterk.

  2. Als er kleine erfelijke verschillen ontstaan binnen een soort in een bepaald gebied, dan worden de genen nog steeds uitgewisseld, omdat de organismen elkaar nog als soort herkennen. Als er een isolatie optreedt, kunnen de genen niet meer uitgewisseld worden. De verschillen binnen de groep zullen niet groter worden omdat de natuurlijke selectie voor de hele groep hetzelfde is. Als er isolatie tussen populaties optreed dan kunnen er geen genen uitgewisseld worden. De omstandigheden in de gescheiden populaties kunnen anders zijn waardoor de verschillen blijven bestaan en zelfs groter worden. Als de verschillen zo groot zijn dat de organismen geen vruchtbare nakomelingen meer kunnen krijgen bijvoorbeeld omdat ze niet meer met elkaar willen paren, dan zijn er twee soorten ontstaan.

  3. Resistentie van bacteriën ontstaat doordat een populatie behandeld wordt met een bacteriedodend middel(bijvoorbeeld penicilline). De meeste bacteriën gaan dood, maar onder de talrijke bacteriën zitten er altijd wel een paar met een mutatie die ervoor zorgt dat ze het gevaarlijke middel min of meer onschadelijk kunnen maken. Deze overlevers krijgen nakomelingen met genen die weerstand bieden tegen de dodelijke stof. Men gaat steeds meer antibioticum (penicilline) gebruiken. Onder de talloze nakomelingen zitten er altijd enkele die ook daar tegen kunnen. De bacteriën worden zo resistent tegen penicilline.

  4. De ozonlaag houdt bepaalde typen UV-straling tegen. Deze straling beschadigt het DNA waardoor veel mutaties ontstaan. Vroeger konden daardoor allerlei nieuwe typen bacteriën gevormd worden. Tegenwoordig zouden allerlei hogere organismen kunnen uitsterven of bijvoorbeeld kanker kunnen krijgen. Kanker wordt veroorzaakt door bepaalde mutaties in lichaamscellen die daardoor ongecontroleerd gaan delen

  5. Als alles in 6 dagen geschapen is (volgens het creationisme), dan is er geen goede verklaring voor dit verschijnsel.

  6. Vroeger werd een blauwdruk gebruikt om aan te geven hoe bijvoorbeeld een gebouw of onderzeeër eruit moest komen te zien. DNA is de genetische blauwdruk: het bepaalt hoe een organisme er uitziet.

  7. Zie onderstaande tabel:

Codes voor valine:

GUU GUC GUA GUG

CAA CAG CAT CAC

GTT GTC GTA GTG

codons in het m-RNA

codons in template streng DNA

codons in coderende streng DNA

Het codon in het m-RNA voor methionine is AUG. Door een mutatie kunnen de volgende codons ontstaan: ACG (threonine), AGG (arginine) en AAG (lysine). Ofwel drie andere aminozuren.

  1. In menselijk DNA is de base C gekoppeld aan een G en een A gekoppeld aan een T. Ofwel het percentage C is gelijk aan G. Dit geldt ook voor A en T. Bij een virus zijn deze percentages niet aan elkaar gelijk. Conclusie: het DNA van een mens is dubbelstrengs en het DNA van een virus is enkelstrengs.

  2. Een levend organisme vertoont zeven levenverschijnselen. Een virus vertoont er maar één: waarnemen.


Toets