Van DNA naar eiwit

  1. X = aminozuren en Y = 20.

  2. Verschillen zijn:

    • DNA is altijd dubbelstrengs, waarbij RNA enkelstrengs is;

    • DNA kent de basen C, G, A en T, waar RNA de basen C, G, A en U kent;

    • Het suikermolecuul van DNA bevat een zuurstofatoom minder dan het suikermolecuul van RNA.

    • DNA bevindt zich in het algemeen in de celkern en RNA bevindt zich voornamelijk buiten de celkern.

  3. mRNA (boodschapperRNA) draagt de (genetische) codes van instructies voor eiwitsynthese van DNA in de kern naar het ribosoom.

  4. Het startcodon in mRNA is AUG; elk eiwit begint dan ook met het aminozuur methionine.

  5. Er zijn 3 codons (in het mRNA) die het eind van een eiwit aangeven: UAA, UAG en UGA. Deze codons coderen niet voor een aminozuur maar zijn simpelweg een stopsignaal voor een eiwit/het ribosoom.

  6. Er zijn 20 verschillende aminozuren (en daarnaast nog drie stopcodons). Je hebt 4 verschillende basen in mRNA. Eén base codeert voor vier mogelijkheden, twee basen voor 16 (4 x 4) mogelijkheden; dit zijn er onvoldoende want er zijn er 23 nodig. Bij drie mogelijkheden heb je dus 64 (4 x 4 x 4) mogelijkheden. Dit zijn veel meer mogelijkheden dan noodzakelijk zijn; meerdere codons coderen dan ook voor hetzelfde aminozuur.

  7. C C G T A T G A T A T G C T G C C A A T A G C G G T C A T G C A    streng 2

    G G C A T A C T A T A C G A C G G T T A T C G C C A G T A C G T    streng 1

    C C G U A U G A U A U G C U G C C A A U A G C G G U C A U G C A    m-RNA triplet

                      Met   -   Iso  -  Cys  -  Cys  -  Glu

 

Het ribosoom (organel wat eiwitten maakt) begint mRNA pas af te lezen bij het startcodon AUG. Elk eiwit begint dan ook met het aminozuur methionine. Vervolgens leest het ribosoom per triplet het mRNA af en kijkt welk aminozuur daarbij hoort. Dit gaat zo door totdat het ribosoom een stopcodon tegenkomt. Het eiwit in dit voorbeeld bestaat dus uit vijf aminozuren (typische eiwitten zijn enige tientallen tot vele honderden aminozuren groot).

 

Opdracht