Afweer & immuniteit

  1. Met ingeademde lucht komen ziekteverwekkers binnen. Macrofagen in de slijmvliezen van de luchtwegen kunnen door middel van fagocytose de indringers 'onschadelijk' maken voordat ze kwaad kunnen.

  2. Macrofagen kunnen bepaalde stoffen die indringers uitscheiden waarnemen. Zij reageren hierop door zich naar de hoogste concentratie van die stoffen te bewegen. Daarnaast wordt bij specifieke afweer tegen antigenen op indringers antistof gemaakt. Deze antistoffen hechten aan antigenen, die vervolgens opgegeten worden door macrofagen.

  3. Dat heeft te maken met onze weerstand ('kracht van het immuunsysteem') op dat moment.

  4. Met een serum krijg je antistoffen binnen, maar maakt je lichaam zelf geen antistoffen aan. Er worden dan ook geen geheugencellen gevormd. Als je dezelfde indringer nogmaals krijgt, wordt deze door het immuunsysteem niet herkent en wordt je alsnog ziek.

  5. Omdat het influenza-virus gemakkelijk muteert (een 'nieuw jasje').

  6. E

  7. E

  8. A

  9. Na de eerste immunisatie zijn in het lichaam van de proefpersoon geheugencellen gevormd. Door de aanwezigheid van deze geheugencellen komt de specifieke afweer na de tweede immunisatie sneller op gang en wordt een grotere hoeveelheid antistof gevormd.

  10. Door willekeurige mutatie kan in het erfelijk materiaal van het vogelgriepvirus een resistente variant ontstaan. Deze kan zich kan verspreiden in een milieu waar de concurrentie van de niet-resistente virussen wegvalt door overmatig Tamiflu-gebruik.

  11. D

 

Opdracht