Sterrenkunde | Speuren in het grote

 

  1. Een ster(renbeeld) is circumpolair als deze om de Poolster heen draait en niet onder de horizon zakt.

  2. Doordat de Poolster in het verlengde ligt van de aardas, lijkt de Poolster stil te staan in het noorden. Op het noordelijke halfrond werd de Poolster dan ook gebruikt om ’s nachts te navigeren/oriënteren.

  3. Doordat de aarde elke etmaal ook wat verder om de zon draait, staan de sterren na 23 uur en 56 minuten vanuit de aarde gezien weer op dezelfde plek.

  4. Als een ster ver weg staat, lijken de lichtstralen evenwijdig de aarde te bereiken. Er is dan geen hoek waar te nemen en dus is het niet mogelijk om een afstand te bepalen.

  5. Bij een lichte ster volgen de elementen waterstof (H), Helium (He) en Koolstof (C) elkaar op. Bij een zware ster volgen de elementen waterstof (H), helium (He), koolstof (C), zuurstof (O), magnesium (Mg), silicium (Si) en tot slot ijzer (Fe) elkaar op.

  6. Stadia van een lichte ster: samentrekkende gaswolk → rode reus → planetaire nevel → witte dwerg.

  7. Stadia van een zware ster: samentrekkende gaswolk → superreus → supernova → neutronenster / zwart gat.

  8. Hoe meer massa een ster heeft hoe hoger de kerntemperatuur van een ster en hoe korter de levensduur van een ster is.

  9. Als al deze factoren niet gedurende lange tijd stabiel zouden zijn, was het waarschijnlijk onmogelijk geweest dat leven op aarde was ontstaan.


Opdracht