HomeBiologieTheorie ► Atomen, moleculen en ionen

 

atoomAtomen, moleculen en ionen

 

Stoffen kunnen bestaan uit:

atomen: kleinste eenheden van een element (bestaat uit één atoomsoort);

moleculen: atoomgroepen met een vast en kenmerkende samenstelling (voor een bepaalde stof);

ionen: postief of negatief elektrisch geladen atomen of atoomgroepen.

 

Bindingstypen:

metaalbinding: binding van metaalionen door vrij bewegende elektronen;

ionbinding: elektrische aantrekking van (samengestelde) ionen met tegengestelde lading;

atoombinding: binding door gemeenschappelijke elektronenparen;

intermoleculair: bijvoorbeeld door waterstofbruggen. Deze treden op bij O-H, N-H en H-F bindingen.

Polair molecuul

Apolair molecuul

■ lading ongelijk verdeeld

■ bij O-H, N-H en H-F bindingen

■ vorming van waterstofbruggen

■ hydrofiel

■ voorbeeld: water

■ lading gelijkmatig verdeeld

■ bij C-H bindingen

■ geen waterstofbruggen

■ hydrofoob

■ voorbeelden: oliën en vetten

Een hydrofiel (deel van een) molecuul is in staat tot het aangaan van waterstofbruggen. Hierdoor lost het makkelijk op in water. Het tegenovergestelde van hydrofiel is hydrofoob. Hydrofobe stoffen zijn stoffen die niet of zeer slecht met water te mengen zijn, maar wel met oliën en vetten.

 

Indeling van stoffen naar herkomst

Anorganische stoffen

Organische stoffen

■ zowel in levenloze natuur voorkomend als in organismen

■ in het algemeen kleine en eenvoudig opgebouwde moleculen

■ bevatten geen C-atomen (behalve CO, CO2 en CO3)

■ voorbeelden: water (H2O), zoutzuur (HCl) en zouten (bijv. NaCl)

■ herkomst uit levende natuur (organismen)

■ veelal grote en ingewikkelde opgebouwde moleculen

■ bevatten minimaal twee C-atomen

■ voorbeelden: hout, glucose (een sacharide) en vetzuren

 Koolstof is het enige element dat in staat is om lange ketens van atomen te vormen.

Elementen van de levende natuurElementen van de levende natuur

Er zijn 94 elementen (= één atoomsoort) die in de natuur voorkomen; het periodiek systeem kent 118 elementen. Slechts 26 elementen worden door organismen gebruikt.

De elementen van groep 1 komen in alle organismen in grote hoeveelheden voor. De elementen van groep 3 komen niet in alle organismen voor. Als ze wel voorkomen dan vaak in zeer geringe hoeveelheden (microgrammen tot milligrammen): een sporenelement. Dit is een element dat in de voeding van een organisme aanwezig moet zijn voor een goede groei en functie. Grote hoeveelheden kunnen zelfs giftig zijn.