HomeBiologieTheorie ► Homeostase

 

Homeostase

Homeostase is de min of meer stabiele toestand van het intern milieu. Het bloed en de weefselvloeistof van een dier (en dus mens) vormen het intern milieu. De omgeving buiten het dier is het extern milieu. Als de homeostase in een dier niet gehandhaafd kan worden, gaat het dier dood.

Het intern milieu van mens en dier moet binnen zeer nauwe grenzen constant blijven om alle chemische processen in het lichaam optimaal te laten verlopen. Factoren die constant moeten blijven zijn onder andere: glucosegehalte van het bloed, de pH (zuurgraad), de osmostische waarde (hoeveelheid opgeloste stoffen) van de lichaamsvloeistoffen, het zuurstofgehalte, etc. Dieren met een constante lichaamstemperatuur (warmbloedigen als zoogdieren en vogels) houden ook hun temperatuur binnen zeer nauwe grenzen; optimaal voor de werking van de duizenden enzymen in het lichaam.

De omstandigheden in het externe milieu wisselen voortdurend. Er moeten dus allerlei regelsystemen zijn om de omstandigheden in het interne milieu min of meer constant te houden. Hormonen spelen hierbij een zeer belangrijke rol. Het hormoon- en het zenuwstelsel werken nauw samen om dit te reguleren. De stimulatie komt vanuit het zenuwstelsel en het hormoonstelsel zal vervolgens de hormonen produceren om de juiste actie op te starten. Het belangrijkste regelsysteem is de negatieve terugkoppeling. Een voorbeeld hiervan is te vinden in onderstaande afbeelding.

homeostase

Beantwoord de volgende vragen. Maak hiervoor gebruik van bovenstaande afbeelding.

  1. Insuline bevordert de omzetting van glucose in glycogeen. Hierdoor daalt het glucosegehalte van het bloed. Noem nog twee andere effecten van insuline die tot het gevolg hebben dat het glucosegehalte van het bloed daalt.

  2. Van welk hormoon is de concentratie in het bloed het hoogst na een koolhydraatrijke maaltijd, van insuline of van glucagon? En van welk hormoon na een periode van vasten?

  3. Iemand heeft een uur geleden drie boterhammen met aardbeien en suiker gegeten. Zij zit nu rustig in een stoel. Hoe verandert het glycogeengehalte in de lever? Leg je antwoord uit.

  4. Een half uur later gaat zij 40 km fietsen op een racefiets. Zij eet hierbij niks. Hoe verandert nu het glycogeengehalte van de lever. Leg je antwoord uit.

  5. Wat is er aan de hand bij suikerziekte?

  6. Hoe kan suikerziekte bij een patiënt worden geconstateerd?

  7. Het hormoon insuline is een eiwit. Bij suikerziekte kan het tekort aan dit hormoon worden aangevuld door dit hormoon in te spuiten. Leg uit dat de concentratie insuline in het bloed niet kan worden verhoogd door dit hormoon via de mond in te nemen.

 

Antwoorden